Iris Meulendijks is een getraumatiseerde journaliste die haar dagen vult met een
freelance baan bij ‘De Leeuwarder Courant’. Nog dagelijks ondervindt ze last van
haar ontvoering tijdens de Balkanoorlog en probeert ze zich staande te houden
door zich volledig op haar werk te storten.
Dan komt ze in contact met Josephe Lavanti. De onaantastbare maffialeider van
Nederland van wie gezegd wordt dat zijn imperium groter is dan dat van kopstukken
als Klaas Bruinsma. Lavanti is stervende en wil zijn verhaal aan het papier toe-
vertrouwen. Iris ziet het schrijven van zijn biografie als een nieuwe vlucht voor
het verleden en gaat met hem in zee.
De twee ontwikkelen een haat-liefdeverhouding en Iris wordt meegezogen in een
wereld die ver van de hare ligt. Dan blijkt dat Iris en Lavanti een gezamenlijk
verleden hebben.
Ze belanden in een misleidende geschiedenis die meer vragen oproept dan ze
beantwoordt. Veel aanknopingspunten leiden naar een waarheid die in een land
als Nederland voor onmogelijk wordt geacht. Opgejaagd door een vijand die ze
niet kennen zijn ze meer op elkaar aangewezen dan ze beiden zouden willen.
Lavanti hing onderuit in zijn fauteuil en
knikte tevreden. ‘Prachtig Iris, echt
prachtig.’ Hij maakte een tentje van zijn
handen en wreef langs zijn neus naar
zijn ooghoeken. Ik keek naar zijn huid,
waaraan duidelijk te zien was dat de
ziekte hem steeds meer in haar greep
kreeg. We zaten nu al een paar dagen in
dit vreemde huis en werkten inmiddels
al meer dan vijf weken samen. In die
periode had ik zijn huid zien verkleuren
van roze naar wit, van wit naar geel. De
kanker klemde zijn dodelijke vingers
steeds verder om zijn organen en
vermoordde hem van binnen.